Mistral Legal heeft een voorliefde voor overnames. Wekelijks houdt Mistral Legal jou op de hoogte van de laatste rechtspraak op dit gebied. Vragen? Jij kunt ons bereiken op: info@mistrallegal.com.

Bestuurdersaansprakelijkheid, joint ventures en aandeelhouders

Een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over bestuurdersaansprakelijkheid en dan met name de vraag of deze aansprakelijkheid (naast de door deze bestuurders bestuurde BV) ook geldt richting de aandeelhouders (van deze BV).

Het hof:
“[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] worden enerzijds aangesproken als feitelijk bestuurder ( [geïntimeerde1] betwist niet dat hij dit was) respectievelijk ‘bekrachtigende bestuurder’ en commissaris van Salvage. Hen wordt schending van artikel 2:9 BW verweten. Voor aansprakelijkheid op die grondslag is vereist dat hen van het gestelde onbehoorlijk handelen of nalaten een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarnaast wordt gesteld dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] als bestuurders van de meerderheidsaandeelhouder jegens Mexit in strijd met artikel 2:8 BW hebben gehandeld. In wezen betreft het hier echter de verhouding tussen Finance als meerderheidsaandeelhouder en Mexit als minderheidsaandeelhouder. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] kunnen slechts als bestuurders van Finance worden aangesproken indien aan hen persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken van normschendend handelen door Finance. Hoe dan ook is dus voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] vereist dat aan hen een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. In dit geval is daarbij van belang dat Finance 70% van de aandelen hield en Mexit 30% en dat Finance de vennootschap financierde en Mexit expertise inbracht.

Uitgangspunt is verder (zoals ook door de rechtbank is overwogen en niet door een grief is bestreden) dat als een derde door het plegen van een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad tegenover de vennootschap vermogensschade toebrengt aan de vennootschap, alleen de vennootschap een vordering tot vergoeding van deze schade heeft. De aandeelhouders hebben in beginsel geen vordering tot schadevergoeding bestaande in de waardevermindering van hun aandelen die het gevolg is van de tekortkoming of onrechtmatige daad, ook wel afgeleide schade genoemd. Op deze hoofdregel kan een uitzondering worden gemaakt als de derde die de onrechtmatige daad of tekortkoming pleegt daarmee óók een specifieke zorgvuldigheidsnorm schendt tegenover de aandeelhouder die de schadevergoeding vordert. Dit toetsingskader geldt ook als de hiervoor genoemde ‘derde’ die de onrechtmatige daad of tekortkoming pleegt, bestuurder is van de vennootschap. In dat geval geldt, dat de enkele omstandigheid dat het voor een bestuurder die onrechtmatig handelt tegenover een vennootschap een voorzienbaar gevolg is dat niet alleen de vennootschap, maar ook de aandeelhouder daardoor wordt benadeeld, niet automatisch meebrengt dat de bestuurder een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden tegenover de aandeelhouder.3 De bewijslast dat van een dergelijke schending sprake is, ligt (in beginsel) op de betreffende aandeelhouder.

Indien op grond van de uitzondering een bestuurder rechtstreeks kan worden aangesproken door de aandeelhouder geldt ook dan voor aansprakelijkheid van de bestuurder de eis dat hem een ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt.”
Uitspraak: 15-6-2021, publicatie: 28-6-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:5819.
Lees verder…

Uitleg aandeelhoudersovereenkomst

Een uitspraak van de rechtbank Den Haag over de uitleg van aandeelhoudersovereenkomsten. In het kader van de overname van een IT-bedrijf, spreken koper en verkoper af dat verkoper ook na de overname nog een tijdje als minderheidsaandeelhouder aan boord blijft. Daarbij spreken zij wel af dat koper het recht heeft verkoper uit te kopen (een zogenaamde “call-optie”). Deze (en andere) afspraken leggen zij vast in een aandeelhoudersovereenkomst. Daarin spreken zij ook af op welke manier de waardebepaling moet plaatsvinden. Het zou moeten gaan om “4,1 maal de EBITDA op basis van de laatste definitief vastgestelde jaarrekening”. Volgens koper gaat het dan om de laatst definitief vastgestelde jaarrekening (2019). Verkoper stelt daarentegen dat bij uitoefening van de call-optie in 2021, het moet gaan om de jaarrekening 2020.

De rechtbank:
“Bij de uitleg van de in de Aandeelhoudersovereenkomst opgenomen bepalingen is de Haviltex-norm het uitgangspunt (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR: 1981:AG4158). Dit betekent dat een zuiver taalkundige uitleg van die bepalingen niet voldoende is. De uitleg is namelijk mede afhankelijk van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan (de bepalingen in) de overeenkomst mochten toekennen en wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij van belang kan zijn tot welke maatschappelijk kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. De omstandigheid dat de Aandeelhoudersovereenkomst tot stand is gekomen met behulp van adviseurs, over en weer, doet aan dit uitgangspunt niet af, HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101. Daarbij is het volgende van belang.”
Uitspraak: 23-6-2021, publicatie: 30-6-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6360.
Lees verder…