Mistral Legal heeft een voorliefde voor overnames. Wekelijks houdt Mistral Legal jou op de hoogte van de laatste rechtspraak op dit gebied. Vragen? Jij kunt ons bereiken op: info@mistrallegal.com.

Mededelingsplicht verkoper

Een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt onderstreept dat bij een overname op de verkoper een (zware) mededelingsplicht rust.

Het hof:
“Het hof overweegt dat de overeenkomst niet slechts de verkoop en overdracht van de klantenportefeuille van [appellant] betrof. De overeenkomst strekte ertoe de gehele onderneming van [appellant] op termijn over te dragen aan [geïntimeerde] . (…) Van [appellant] mocht daarom worden verwacht dat hij [geïntimeerde] een goed inzicht zou geven in de financiële situatie en verwachtingen van de onderneming. Daarbij hoort naar het oordeel van het hof de mededeling dat een deel van de omzet niet alleen door [appellant] werd behaald, maar dat ook de inzet van [D] nodig was geweest om die omzet te kunnen behalen, alsmede dat [geïntimeerde] bij inschakeling van [D] tweemaal provisie verschuldigd zou worden (…). Of een bepaalde omzet werd (en kan worden) behaald met de werkzaamheden van één persoon ( [appellant] / [geïntimeerde] ) dan wel met de werkzaamheden van twee personen ([appellant] / [geïntimeerde] en [D] ) acht het hof wel degelijk belangrijke informatie in het kader van een ondernemingsovername. Informatie over de inzet van [D] , alsmede de daarmee samenhangende provisieregeling, was daarom wel degelijk van wezenlijk belang voor [geïntimeerde] . Het lag op de weg van [appellant] , die als verkopende partij afwist van alle ins en [de getuige1] van de onderneming, daarvan mededeling te doen. Het hof verwerpt derhalve het standpunt van [appellant] dat [geïntimeerde] , wetende dat [D] betrokken was bij de onderneming, navraag had moeten doen of er met [D] een provisieregeling was afgesproken en, zo ja, wat die inhield. Aan het voorgaande doet niet af dat (inmiddels) vaststaat dat [appellant] de gehele klantenportefeuille van [B] , ook dat deel dat door [D] werd bediend, aan [geïntimeerde] heeft overgedragen.”

Uitspraak 22-6-2021, publicatie 24-6-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6161.
Lees verder…

Dringende reden

Een arrest van het gerechtshof Den Haag over het begrip ‘dringende reden’ uit een managementovereenkomst. Centraal staat de vraag of aansluiting gezocht kan worden bij het arbeidsrechtelijke begrip dringende reden als bedoeld artikel 7:678 BW. Dit artikel geeft de werkgever (icm met artikel 7:677 BW) de mogelijkheid om een werknemer -in bepaalde bijzondere (!) gevallen- op staande voet te ontslaan.

Het hof:
“In hoger beroep betoogt Eye Group dat toch wel sprake is van een afwijkende partijbedoeling. Het begrip ‘dringende reden’ in de zojuist bedoelde artikelen 18.2 en 14 moet volgens haar niet op dezelfde wijze worden ingevuld als dat in artikel 7:678 BW gebeurt (…)
Het – in 6.4 bedoelde – betoog van Eye Group wordt verworpen. De geciteerde opmerkingen van/zijdens Antea – zowel die in het (concept-)proces-verbaal, als in de brief van 8 maart 2018 – bieden onvoldoende steun voor een – op de zogeheten Haviltex-maatstaf gebaseerde – uitleg van het overeengekomen artikel 18.2 van de PAO en/of 14 van de managementovereenkomst in deze door haar (Eye Group) voor het eerst in hoger beroep voorgestane zin; dus een uitleg die inhoudt dat deze bepalingen, in afwijking van de duidelijke bewoordingen ervan, slechts bedoeld zijn voor situaties van fraude en/of dat er alleen dan een beroep op zou kunnen/kon worden gedaan. Dat Antea destijds, in reactie op vragen van de toenmalige advocaat van Eye Group, heeft gezegd dat zij aan artikel 18.2 PAO hecht voor het geval sprake is van fraude – een mededeling waar Eye Group kennelijk zelf geen actieve herinnering aan had – impliceert niet, en kan redelijkerwijs niet aldus worden verstaan, dat er in andere situaties van ontoelaatbare gedragingen geen beroep op kon of mocht worden gedaan. Deze door Antea desgevraagd gegeven toelichting heeft veeleer het karakter van een voorbeeld van een situatie (dringende reden) waarvoor de bepaling was bedoeld, dan van een inperking. De door Eye Group thans voorgestane inperking tot frauduleuze gedragingen volgt ook niet noodzakelijk uit de genoemde achtergrond van de bepaling, te weten: een beoogd normerend effect. Normering/compliance binnen vennootschappelijke verhoudingen ziet immers niet alleen op het voorkomen van fraude. Indien een beperking tot frauduleuze gedragingen wel was waar Eye Group/ [bestuurder Eye naam 2] op basis van bedoelde mededeling van uitging, dan had bovendien voor de hand gelegen dat Eye Group/ [bestuurder Eye naam 2] , die werd bijgestaan door een advocaat, dit zou hebben vastgelegd, ofwel door aanpassing/inperking van de tekst van meergenoemde artikelen 18.2 en 14, ofwel in de vorm van een schriftelijke toelichting erop. Een en ander is niet gebeurd. Nu een verdere onderbouwing voor de door Eye Group gestelde nadere overeenkomst/invulling c.q. voorgestane uitleg ontbreekt en er ook geen gespecificeerd bewijsaanbod op dit punt is, wordt er verder aan voorbijgegaan. De toets voor toepassing van artikel 18.2 PAO blijft daarom of sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW.”

Uitspraak 6-4-2021, publicatie 24-6-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:915.
Lees verder…

Mediationclausule

Een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland over de vraag wat de gevolgen zijn van het niet volgen van een in een koopovereenkomst opgenomen mediationclausule. De rechtbank zet nog eens op een rijtje aan welke randvoorwaarden een succesvol mediationtraject moet voldoen.

De rechtbank:
“De rechtbank volgt Tredius niet in haar standpunt dat [eiser] niet ontvankelijk is in haar vordering omdat een mediationtraject achterwege is gebleven. De rechtbank constateert dat beide partijen naar elkaar wijzen als degene die geen mediator heeft voorgesteld en niet bereid is om tot een minnelijke oplossing van het geschil te komen. Dat is geen goed uitgangspunt voor een geslaagd mediationtraject. Een voorwaarde voor een geslaagde mediation is de bereidheid van beide partijen om met elkaar in gesprek te gaan en het geschil zonder voorwaarden vooraf ter tafel te brengen, met als doel te streven naar een voor beide partijen aanvaardbare oplossing. (…)
Een geslaagd mediationtraject begint ermee dat partijen in gezamenlijkheid een mediator aanwijzen en zo nodig daarvoor beiden een of meer voorstellen aan elkaar doen. Ook artikel 17.2 van de koopovereenkomst biedt geen grond voor de conclusie dat het op de weg van (slechts) een van beide partijen ligt een voorstel voor een mediator te doen. In dat artikel is alleen bepaald dat ieder van partijen het recht heeft om het geschil aan de rechtbank voor te leggen als partijen het niet eens kunnen worden over de aanwijzing van een mediator. Aan die voorwaarde is in dit geval voldaan. Beide partijen hebben de mogelijkheid van mediation op enig moment weliswaar onder ogen gezien, maar geen van hen heeft een mediator voorgesteld. Partijen hebben enkel op elkaar gewacht, met als logisch gevolg dat zij het niet eens hebben kunnen worden over de aanwijzing van een mediator. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat [eiser] niet ontvankelijk is in haar vordering omdat volgens Tredius (enkel) [eiser] mediation geen kans zou hebben gegeven.”

Uitspraak 4-5-2021, publicatie 25-6-2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:4799.
Lees verder…